Digitalisering vraagt om verandering in het onderwijs

De meeste onderzoekers en opvoeders zijn het erover dat de kinderen van nu (de toekomstmakers) niet genoeg meer hebben aan de eenvoudige leermiddelen die leerlingen twintig jaar geleden hadden.  Moderne kinderen spelen vaak op 3- à 4-jarige leeftijd al met tablets en andere technologie. Ze kijken YouTubefilmpjes en kennen de letters van het toetsenbord. Vaak wordt zelfs betwijfeld of het wel nodig is om kinderen op dit punt nog sneller te laten leren. Ze zijn al zo ver en vinden het nog leuk ook.

Op een basisschool kom je er niet meer met een schoolbord en gekleurd krijt. Gelukkig is de digitalisering van het onderwijs een continu proces. Dat maakt het leven van docenten en leerlingen makkelijker. Voorwaarde is natuurlijk wel dat de techniek ten dienste staat van het leerproces. Door de voordelen zoveel mogelijk te benutten, kunnen we de nadelen minimaliseren.

Het is een misvatting dat kinderen effectiever leren wanneer ze multitasken. Net als bij eerdere generaties moet aandacht gewekt en gefocust worden en moet informatie worden opgeslagen in het brein. De sleutel ligt in het creëren van concentratie. Gebrek aan motivatie is nog nooit zo’n ernstig wereldwijd probleem in het onderwijs geweest als nu. Hoe leren we een kind zijn eigen hoofd te gebruiken in plaats van Google of een andere zoekmachine?

En om de vraag nog wat scherper te stellen: hoe kunnen we ervoor zorgen dat een kind een rationele beslissing neemt bij het evalueren van de zoekresultaten van Google? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Maar we kunnen de tijd en de technologie niet tegenhouden en we kunnen internet niet afsluiten voor iedereen die nog geen 18 is. Hervorming van het hervorming onderwijs is noodzakelijk, want juist op school wordt kennis overgedragen. En op een slechte vraag kan zelfs de slimste student geen foutloos antwoord geven.

Integratie digitalisering scholen en bedrijfsleven

We moeten ook inzien dat scholen, gezien de strenge regels en het vereiste lesmateriaal, geen flexibele instellingen zijn. Ze zijn tenminste niet zo flexibel als de industriële omgeving of de technologie. Er wordt vaak beweerd dat scholen er meer zijn om competenties te ontwikkelen dan om kennis te vergaren. Maar laten we eerlijk zijn, je leert pas echt iets als je het van iemand leert. De juiste mix van theoretische en praktische kennis zou vanuit een bedrijfsmatig niveau doorgegeven moeten worden aan de scholen, zodat de leerlingen later op de arbeidsmarkt goed kunnen presteren, de juiste beslissingen kunnen nemen en zich kunnen aanpassen.

De school heeft dus een zeer belangrijke rol in de ontwikkeling van gedrag op de werkplek, maar er zijn ook andere factoren in het spel. De vraag dringt zich op wat voor werk we de generatie moeten voorbereiden die over 10 à 20 jaar aan het werk zal zijn. Werkplekken en werkprocessen moeten steeds worden aangepast aan de eisen van de volgende generatie, en misschien ook wel de twee of drie generaties daarna. Daardoor veranderen functies voortdurend, in een dynamisch proces dat zichzelf op gang houdt, afhankelijk van de nieuwe medewerkers die binnenkomen. Daar staat tegenover dat het onderwijs wereldwijd veel hiërarchischer en meer gecentraliseerd is. Waar een startup aantrekkelijk is door zijn jeugdige frisheid en zijn nieuwigheid, is een school dat door zijn prestige. Daarom moeten we eigenlijk niet wachten tot scholen zich gaan voorbereiden op de werkplekken van de toekomst.

Banen moeten op dezelfde manier worden gevormd als onderwijsmethoden en -hulpmiddelen. Nu digitalisering oprukt op scholen, moeten bedrijven de overstap ook maken. Gelukkig heeft dat laatste meestal minder voeten in de aarde dan het realiseren van vernieuwingen in het onderwijs.

Als we willen dat onze onderwijsinstellingen de technologische wereld inhalen, moeten werkgevers daar ook een rol in spelen. Als zij geschoold en up-to-date personeel nodig hebben, moeten ze dat ook hardop uitspreken en de noodzakelijke scholing ondersteunen. Het is hoe dan ook belangrijk dat er in de sector consensus bestaat over de opleidingsverwachtingen. Wat een pas opgeleide vakman aantrekkelijk maakt voor een autofabrikant wijkt niet zo heel veel af van wat een productiebedrijf verwacht van een CNC-frezer. Bij het verwerven van universele kennis en competenties moet er ook een soort basisniveau worden bepaald waaraan iedereen moet voldoen.

In veel landen heeft de industrie tegenwoordig veel meer te zeggen over onderwijsprogramma’s dan voorheen. Maar het lijkt erop dat dat niet eens nodig is. De impact moet globaal worden geïnterpreteerd. We moeten profiteren van de toenemende sociale mobiliteit, zodat er ook ruimte is voor internationaal onderwijs voor middelbare scholieren. Toekomstige generaties moeten een solide basis vormen voor onderwijs, en functies moeten zo worden vormgegeven dat ze kunnen worden aangepast aan het ritme van een individu, maar niet zonder duidelijke doelen te stellen. Het lijkt erop dat we daarmee tegemoet komen aan de vertegenwoordigers van de generatie-Y die klagen dat ze niet kunnen werken in hun eigen ritme en op de juiste plek. Maar laten we wel wezen, de kinderen van deze rebelse generatie worden nu ook alweer geboren. En hoe ver zullen de wensen en verwachtingen van deze volgende lichting wel niet gaan?

Overreguleerde vrijheid

Onderwijs en opleiding zijn hoofdzakelijk gericht op meer vrijheid, sociale mobiliteit en individuele keuzes. Als we dit proberen te bereiken door middel van strikte regels en een rigide systeem, mislukt ons experiment. Om zowel de belangen van jongeren als de verwachtingen van bedrijven af te dekken, hebben we individuele methoden, technologische prestaties en een onorthodoxe benadering nodig. We kunnen ouderwets blijven lesgeven en vasthouden aan onze dierbare boeken, maar als dezelfde kennis door de digital natives op een tablet wordt gelezen, is een andere aanpak waarschijnlijk beter. In het verlengde hiervan kunnen we misschien het wiskundeonderwijs anders benaderen of beroepsopleidingen spannender maken door samen te werken met echte productieomgevingen.

We moeten geen regels gaan overtreden. Wel moeten we samen de bestaande regels op alle niveaus opnieuw bekijken om het onderwijs toegankelijker te maken, en leuker voor kinderen. Daarbij hoort ook het beoordelen van de hoeveelheid en de inhoud van het curriculum.

Om het onderwijs en de functies flexibel te laten veranderen, hebben we als samenleving maar één ding nodig: een lange adem. Als we dit volbrengen met medewerking van meerdere generaties, ongeacht het vakgebied, kunnen we het principe van leren op het werk definitief een hoofdrol geven. Een nobel doel, want deze praktische benadering is al eeuwen de meest effectieve en actuele vorm van onderwijs.